Voor afspraak bel: +31 6 42 71 17 65 

1. Voorbereiding- en controlehandelingen

pijl naar beneden

Dit zijn alle handelingen die uitgevoerd dienen te worden om vast te stellen of de auto in goede staat van onderhoud verkeert en of met de rit kan worden begonnen.

2. In- en uitstappen

De bestuurder dient er voor te zorgen dat bij het in- en uitstappen geen hinder of gevaar kan ontstaan voor andere weggebruikers.

3. Hellingproef

De bestuurder dient het voertuig zonder fouten op een helling tot stilstand te brengen en weer weg te rijden al dan niet door gebruik te maken van de parkeerrem.
Het is de bedoeling dat de auto hierbij niet achteruitrolt en dat de motor niet afslaat.

4. Keren

a. Op juiste wijze keren door middel van steken op een niet te brede weg.
Bij deze verrichting gaat het er om dat met het voertuig op die plaats goed kan worden gekeerd.
De bestuurder keert op de weg door éénmaal achteruit te rijden, daarna vooruit en daarna weer achteruit in combinatie met een normale voertuigbediening.
Bij deze bijzondere verrichting is met name de combinatie van sturen en bediening van gas- en koppelingspedaal bepalend voor een goede uitvoering.

b. Het keren door middel van een halve draai in een vloeiende beweging binnen een beperkte ruimte.
Bij deze verrichting gaat het er om dat het voertuig in één keer in een vloeiende lijn naar links op de rijbaan wordt gekeerd.

5. Achteruit rijden

Bij deze verrichting gaat het er om dat men achteruitrijdende met het voertuig evenwijdig aan de rijbaankant blijft.
a. Het behoorlijk in rechte lijn achteruitrijden.
Men rijdt over een lengte van 20 meter achteruit en brengt het voertuig tot stilstand ter hoogte van een tevoren aangegeven punt.
b. Het behoorlijk achteruitrijden van een aangegeven bocht.
Bij deze verrichting dient de kandidaat behoorlijk in een rechte lijn achteruit te rijden en aansluitend op dat achteruit rijden op een correcte wijze een bocht naar rechts te rijden.

6. Parkeren

a. Parkeren in file.
De bedoeling van deze verrichting is dat het voertuig kort achter een ander voertuig langs de rechter rijbaankant geparkeerd wordt.

b. Parkeren in een parkeervak.
De verrichting wordt uitgevoerd in een voor de bestuurder rechts gelegen parkeervak op een parkeerplaats. Daarbij wordt niet of zo min mogelijk gebruik gemaakt van andere (naastgelegen) parkeervakken.